Het Citroënmuseum met 120 auto’s van Henri Fradet: een diepe duik in de verborgen parel van Castellane

13

De meeste autocollecties verdwijnen. Ze worden kapotgemaakt, verkocht voor onderdelen of rotten in garages. Henri Fradet doet het tegenovergestelde.

Hij kocht niet alleen auto’s. Hij heeft veertig jaar lang op hen gejaagd. Het resultaat? 120 Citroenen.

De collectie bevindt zich in het CitroMuseum in Castellane, Zuid-Frankrijk. Het is niet het officiële bedrijfsmuseum in Parijs. Het persoonlijke archief van Fradet is misschien wel interessanter dan het bedrijfsarchief. Dit zijn geen glimmende pronkstukken. Het zijn overlevenden met een lage kilometerstand. Hij geeft de voorkeur aan auto’s die nog nooit zijn gerestaureerd. Gewoon schoon, origineel en klaar om te rollen.

Om deze verzameling te begrijpen, moet je weten hoe Fradet denkt. Hij reist door heel Frankrijk. Hij spoort de beste voorbeelden op. Hij geeft niet om perfectie. Hij geeft om de geschiedenis.

Drie Kamers voor Autogeschiedenis

Het museum is geen groot leeg pakhuis. Fradet bouwde drie verschillende secties. Dit is geen willekeurig parkeren. Het is samengestelde chaos.

De eerste kamer richt zich op de zware hitters. Traction Avants vind je hier. Je vindt er ook DS- en ID-modellen. Dit zijn de auto’s die de Franse techniek voor altijd hebben veranderd.

Het tweede deel is van de kleine. De 2CV. En de vele derivaten ervan. Als je van eigenzinnig, praktisch Frans transport houdt, dan is dit de plek waar je woont.

De derde vleugel is nieuwer. Het herbergt auto’s uit de jaren zeventig tot negentig. Dit is het tijdperk na de gloriedagen. Het tijdperk waarin Citroën begon te experimenteren. Soms wild. Soms saai.

Maar de auto’s zijn niet het enige hier. Fradet verzamelt memorabilia. Originele R&D-documenten. Vintage dealerborden. Schaalmodelauto’s. Het voegt textuur toe aan de ervaring. Het herinnert je eraan dat dit niet alleen maar vervaardigde objecten waren. Ze zijn ontworpen door echte mensen met echte problemen.

The Survivor: 1952 Tractie 15/6

De Traction Avant werd gelanceerd in 1934. Dat is vooroorlogs. Waarom staat het dan in een naoorlogs museum?

Eenvoudig. In 1945 stopte de productie niet. In 1957 rolde de laatste Traction Avant van de band. Die lange staart redt hem.

Dit specifieke voorbeeld uit 1952 is fascinerend. Hij wordt aangedreven door een zes-in-lijn van 2,9 liter. Het levert 77 pk op. Niet snel volgens de normen van vandaag. Maar snel genoeg. En relevant.

Sinds hij de fabriek verliet, heeft hij ongeveer 40.000 kilometer afgelegd. Dat is ongeveer 25.000 kilometer. Zeer laag. De oorspronkelijke eigenaar heeft hem binnenshuis gehouden. Altijd.

Een verzamelaar kocht het in 1973. Hij koesterde het. Vervolgens werd het in 2016 opgenomen in de collectie van Fradet. Het zit hier vandaag. Rustig. Onaangeroerd.

“De ongewoon lange productieperiode van de Traction Avant maakt hem tot een brug tussen twee tijdperken.”

De oudste nog levende DS

Het CitroMuseum beschikt over meerdere DS-modellen. Deze zwarte DS uit 1955 is anders. Het is de oudste nog bestaande in massa geproduceerde DS.

Chassisnummer 32.

Het was de 14e DS die ooit werd verkocht. De eerste 13? Weg. Waarschijnlijk vernietigd lang voordat ze verzamelobjecten werden. Deze auto is een anomalie.

Citroën begon pas in februari 1956 met de massaproductie. Daarvoor? Met de hand gebouwde auto’s. Deze is met de hand gebouwd. Geleverd bij een dealer in Valence. Gebruikt als demonstrator.

Logica dicteert dat het teruggestuurd had moeten worden naar het hoofdkwartier. Dat heeft de dealer niet gedaan. In plaats daarvan verkocht hij het aan een trouwe klant.

Het veranderde een paar keer van eigenaar. Ongeveer 69.00 kilometer (43.000 mijl) afgelegd. Heeft 13 jaar in een museum in Nederland doorgebracht. Toen kwam hij in 2004 naar Castellane. Het is niet ongerept. Het is echt.

De Road Trip-monteur: 1963 ID 19

De ID 19 was de budgetoptie. Een basisalternatief voor de luxe DS 19. Dit model uit 1963 is Bleu de Provence gespoten. Een ongebruikelijk blauw. Zeer passend voor Zuid-Frankrijk.

Er staat 27.000 kilometer op de teller. Fradet kocht hem van de tweede oorspronkelijke eigenaar.

Hier is het verhaal. Hij woonde destijds in Noorwegen. Hij kocht de auto in België. Hij besloot ermee naar huis te rijden.

Maar het begon niet meteen. Hij stopte op een Belgische weg. Het hydraulisch systeem uit elkaar gehaald. Hogedrukpomp verwijderd. Een vastzittende klep gerepareerd. Helemaal naar Noorwegen gereden.

Dat is het soort praktische kennis dat je niet in een fabriekshandleiding kunt leren. Het is straatwijsheid. En mechanische intuïtie.

De cabriolet die bijna was

Ook de DS 21 Cabriolet uit 1966 zit in de collectie. Het is een zeldzaam ras. Citroën was niet groot in cabriolets. Toen ze dat deden, waren het vaak aftermarket-add-ons. Of beperkte oplages.

Deze auto vertegenwoordigt het einde van een tijdperk. De transitie naar kunststof. De verschuiving in de Franse smaak. Het is prachtig. Maar het is ook een voetnoot.

De meeste mensen beschouwen Citroën als het merk dat de hydropneumatische vering heeft uitgevonden. Of degene die de bubbelauto heeft gemaakt. Of het busje met de motor achterin. Ze zien niet altijd de diepte.

Fradet wel.

Hij ziet de 120 variaties. De subtiele verschillen. De verhalen achter elk VIN-nummer. Het CitroMuseum is geen mausoleum. Het is een levend archief. En het is in Castellane. Waar de wegen door de Alpen kronkelen. En de auto’s ruiken nog steeds naar leer uit de jaren vijftig.

Dat zou je kunnen